Column Thomas von der Dunk. Uitgesproken op De Rode Werf van 20 november: MBO

Geachte aanwezigen,

op 7 oktober verscheen in de NRC een zeer lezenswaardige analyse van Emilie van Outeren en Danielle Pinedo over het Nederlandse leger, naar aanleiding van het rapport over het granaatongeluk in Mali. Het schetste een onthutsend beeld van de bestuurlijke mechanismes binnen krijgsmacht en overheid die daartoe hebben geleid. De details zijn afwijkend, maar de rode draad zal ook bij velen buiten het leger een beeld van herkenning hebben opgeroepen. Precies diezelfde mechanismes zijn namelijk ook elders werkzaam, waar collectieve instituties eveneens zonder de daarvoor benodigde middelen door de politiek met allerlei ambitieuze opdrachten opgezadeld worden. Bijvoorbeeld in het onderwijs, van basisschool tot universiteit. Alleen dan zonder dodelijke afloop.

Vandaag staat hier het MBO op de agenda, maar veel van wat we hier horen, is niet voor het MBO specifiek, evenmin als de algemenere aspecten van ‘Mali’ dat voor de landmacht waren. Net als bij Defensie vaart ook bij Onderwijs het ministerie vooral op de leidinggevenden en niet op de werkvloer. Die onderwijsbestuurders vertonen dan dezelfde can-do-mentaliteit als de legertop, waarbij in één grote roes van op-de-borst-klopperige daadkrachtigheid braaf alle politieke ambities als haalbaar worden geïnhaleerd. Dat leidt ook voortdurend tot noodverbanden, zoals veel te grote groepen leerlingen waar in glanzende reclamefolders ter vergroting van het ‘marktaandeel’ (ook zo’n Haagse mantra) juist individuele begeleiding wordt beloofd.

Dergelijke zaken moeten dan eerst, tegen alle protest in, door de werkvloer als tijdelijke maatregel geaccepteerd worden, waarna vervolgens hogerop wordt geconstateerd dat ‘het dus gaat’. Waarna uit ‘tijdelijk’ al spoedig ‘blijvend’ wordt en zo als ‘efficiëntiekorting’ een structurele bezuiniging kan worden ingeboekt, die door Den Haag dankbaar wordt omarmd en dan aan andere instellingen als lichtend voorbeeld kan worden voorgehouden. Dat leidt soms tot absurde besparingen elders – wat verroeste munitie in de kazerne is, zijn smerige wc’s op school.

Kritische geluiden van onderop over de haalbaarheid van door de politiek voorgeschreven taken worden geweerd. Klokkenluiders worden als nestvervuilers weggezet, die aan het begeerde positieve bedrijfsimago afbreuk doen. Inderdaad, zoals in het NRC-stuk over het leger werd opgemerkt: “Op elk niveau waar rapportages worden samengevoegd, worden ze rooskleuriger herschreven”.

De auteurs citeren hier een militair uit de praktijk: “Op het laagste niveau is men uiterst kritisch: ‘we storten bijna in’. Halverwege het proces staat er dat ‘nog een paar problemen moeten worden opgelost’. En als het rapport de minister bereikt zijn er nog maar ‘enkele aandachtspunten’. Hogere commandanten willen de minister er niet mee lastig vallen en niet laten zien dat bij hen zwakke plekken zitten”. Wat voor commandanten geldt, geldt voor onderwijsdirecties ook: zulke zwakke plekken passen namelijk niet bij het beeld van krachtdadig en effectief leiderschap dat de managerskaste met het oog op de eigen carriëre graag van zichzelf neerzet. Niet voor niets is voor de basisschoolleraren de maat nu vol, nadat de basisschoolbestuurders jarenlang vooral sussende woorden hadden laten klinken.

Ook een tweede passage in het NRC-stuk roept een gevoel van herkenning op, nu het nieuwe kabinet anderhalf miljard euro extra voor de krijgsmacht heeft uitgetrokken. “De verleiding bestaat om daar vooral mooie spullen voor te kopen: nieuwe onderzeeboten of extra gevechtsvliegtuigen. Investeer eerst in de mensen, raden betrokkenen aan”. Wie in de onderwijssector denkt hier niet aan de protserige ROC-nieuwbouw te Leiden, dat vooral het prestige van de bestuurders moest dienen en waaraan die instelling bijna bezweek?

Daarmee komen we bij de kern van het probleem, dat ook het nieuwe kabinet niet durft te verhelpen: de lumpsum-financiering die megalomane bestuurders steeds opnieuw weer alle ruimte geeft om hun lusten bot te vieren. Door het bedrijfsmatige model, in samenhang met besturen op afstand als gevolg van het dogma van de kleine overheid dat jarenlang in Den Haag aangehangen is, heeft de politiek zowel zichzelf als de werkvloer buiten spel gezet. Hier wreekt zich de fatale scheiding tussen beleidsmakerij en uitvoeringspraktijk.

De uitvoering van de Haagse plannen wordt aan de instellingen zelf overgelaten, waarbij ook het Old Boys Network op volle toeren draait. Bestuurders zijn daarbij zijn niet meer vanuit de instelling zelf opgeklommen, maar van bovenaf gedropt, met als meest recente schoolvoorbeeld de nieuwe VSNU-baas Pieter Duisenberg, een ex-Kamerlid zonder universitaire werkervaring, aangesteld op grond van de managersmisvatting dat je iets kunt besturen zonder er enig inhoudelijk verstand van te hebben. Dat is, alsof een nieuwe generaal nog nooit een geweer vastgehouden heeft.

Ik ben in het MBO minder thuis, maar ik twijfel niet dat daar even veelzeggende voorbeelden vallen te noemen. Door hun Haagse herkomst functioneren zulke managers voor het departement vaak als echoput. Falen zij, dan wacht bovendien dankzij hun contacten wel weer een mooie betrekking elders, zoals voor de Leidse ROC-bestuursvoorzitter Jeroen Knigge, die na zijn gedwongen ontslag even later in een soortgelijke functie in Den Helder opdook, waar je zo iemand dan toch voortaan niet eens meer het beheer van een snackbar zou toevertrouwen.

Wie dieper graaft naar de oorzaken van deze stelselmatige brokkenmakerij komt uit bij de permanente schaalvergroting, waardoor de bestuurders, die tegenover Den Haag zorgvuldig de souvereiniteit van hun uit de collectieve middelen betaalde koninkrijkjes bewaken, ook van de docenten zijn vervreemd. Door een hele tussenlaag van extra managers wordt de top zorgvuldig van hen weggehouden. Het contact verloopt via boodschappers die slechts de directieven meedelen waarnaar de uitvoerders zich hebben te richten. Wie wil weten hoe dat in de praktijk functioneert, leze de roman De Rendementsdenker van Lucas Zandberg over dat Leidse ROC.

Deze fatale schaalvergroting valt niet los te zien van het zoéven al genoemde bedrijfsmatige denken dat Den Haag jarenlang heeft gepropageerd – groter is beter, want winstgevender – en dat voor sommige bestuurders zélf hun eigen beloningsexcessen heeft gelegitimeerd. Dit behelst een belangrijke waarschuwing: ongericht geld geven zal de problemen niet oplossen, bij Defensie evenmin als in het onderwijs.

Het zal te snel aan dure interimmanagers of materiële bling-bling worden besteed, zolang degenen om wie de instelling werkelijk draait over de besteding niets te zeggen hebben. Misschien vormt dit laatste wel een van de hoofdoorzaken van het wijd verbreide wantrouwen jegens de gevestigde politiek: de personele uitwisselbaarheid met politici van de bestuurders waarmee burgers beroepshalve te maken hebben, in combinatie met de ongeloofwaardigheid van hun beloftes omdat het altijd voor een dubbeltje op de eerste rang gebeuren moet.

Zonder de macht van de instellingsbesturen aan banden te leggen, door striktere Haagse controle en meer inspraak van de werkvloer inzake de besteding, zal ook meer geld als zodanig amper helpen. Zolang het nieuwe kabinet dit niet wezenlijk anders aanpakt dan alle voorgaande, zullen veel werknemers weinig vertrouwen in de toekomst hebben.

Dat brengt mij bij de richting, waarin de oplossingen gezocht moeten worden. Ten eerste: schaalverkleining. Het MBO en het HBO hebben in het verleden teveel het voorbeeld van de alle terreinen van wetenschap omvattende, en daardoor zeer omvangrijke universiteit gekopieerd. Het oude idee van de vakschool, die gericht tot een bepaald beroep opleidt, waarbij voor de aanwezigheid van totaal andere beroepsopleidingen binnen één organisatie weinig inhoudelijke argumenten bestaan, is losgelaten. Die kant zullen we toch weer veel meer uitmoeten.

Bij kleinschaliger organisaties is de neiging geringer om de leiding in handen te leggen van managers van buitenaf zonder vakinhoudelijke kennis – in de handen van mensen voor wie het niet uitmaakt of ze nu de fabricage van koeien, kinderen of knopen aansturen. Met een kleinere organisatie met veel minder leerlingen vervalt ook het excuus voor de mega-salarissen, die zo’n directiepost voor de uitwisselbare koeien-en-knopen-bestuurders aantrekkelijk maken. Bij een kleinschaliger organisatie is niet alleen de afstand tussen directie en docentencorps automatisch geringer, omdat het hele tussenmanagement dat de opperdirectie van kritische geluiden afsluit, kan verdwijnen. Ook zal dan eerder de leiding kunnen worden bekleed door iemand die zelf uit het docentencorps afkomstig is, wat zowel diens inhoudelijke kennis van zaken, als de verbondenheid met de werkvloer ten goede komt.

Dat is een noodzakelijke voorwaarde om een einde te maken aan het fatale rendementsdenken, waarbij slagingspercentages de doorslag geven, omdat door bestuurders die – bij gebrek aan relevante werkervaring – zelf niet over kwaliteit kunnen oordelen, kwantiteit aan kwaliteit gelijk wordt gesteld. Dat zet de normen onder druk – zeker in het MBO, omdat niemand zonder papiertje de school verlaten mag. Ook hier wreekt zich de opvatting van onderwijs als bedrijf, met de studenten als ‘klanten’. Maar het wezenlijke verschil met de klanten van een fabrieksproduct is dat in het onderwijs de kwaliteit van het eindresultaat in hoge mate van de inzet van de klanten zélf afhankelijk is. Een goede autofabriek is een fabriek waar alle auto’s die van de band rijden voor hun functioneren een 10 krijgen. Is een goede school een school waar alle leerlingen een 10 krijgen? De vraag stellen is het antwoord geven.

Als men dit basale verschil onder ogen durft te zien, dan kunnen ook al die geldverspillende en vooral luchtbellen producerende afdelingen voorlichting en strategie drastisch in omvang worden gereduceerd. Die tellen nu vaak heel wat meer mensen dan de afdeling waar het eigenlijk om draait: die van de docenten. Ook daarom moet er vooral niet ongericht geld naar het onderwijs, omdat degenen die dan over de besteding beslissen zelden degenen zijn die werkelijk kunnen beoordelen waar dat geld het meest nodig is: niet voor dure reclamecampagnes om een andere eveneens uit de collectieve middelen bekostigde instelling weg te concurreren, maar voor de taken van zo’n instelling zelf.

Het zijn die tussenlagen en die zogenaamd ondersteunende afdelingen, die niet alleen een substantieel deel van de begroting opeten, maar ook – naast het ministerie – een hele hoop controle-regeltjes en formulieren produceren, die uitermate veel arbeidstijd van docenten in beslagnemen. Onlangs trokken de wijkverpleegsters terecht over de bureaucratische rompslomp waarmee zij te maken hebben, aan de bel. Ook die vloeit voort uit de dwang om productie te draaien en efficiënter te opereren. Met hetzelfde probleem kampen ook docenten. In dat opzicht is het zeer simpel: minder managers betekent minder papier.

 

Thomas von der Dunk, 20 november 2017

facebooktwittergoogle_plusredditlinkedin

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *