Column Thomas von der Dunk

Beste aanwezigen,

welke koers moet de Partij van de Arbeid de komende jaren kiezen, teneinde in de toekomst weer een politieke factor van enige betekenis te worden na de vernietigende nederlaag van afgelopen maart, die haar na een letterlijke vierendeling – van 38 naar 9 zetels – tot de zesde partij van het land heeft gereduceerd?

Het ligt om te beginnen voor de hand, dat zij nu in de oppositie belandt. Terecht heeft Lodewijk Asscher daarvoor vanaf het begin stug gekozen, en alle pogingen van Pechtold om na het even terechte afhaken van GroenLinks aan te schuiven, van de hand gewezen. De wijze waarop D66 vanaf het begin eigen deelname aan een kabinet met VVD én CDA samen als vanzelfsprekend beschouwde, maakt duidelijk waar die partij inmiddels staat, zoals de D66-inbreng tijdens de formatie – weg met het poldermodel – dat ook afdoende duidelijk maakt: op sociaal-economisch vlak ter rechterzijde, als deel van het ‘rechtse motorblok’.

Dat oudpartijleider Jan Terlouw – indertijd beslist geen ultralinkse hemelbestormer – zijn eigen club nu veel te ver naar rechts opgeschoven acht, is veelzeggend. Hetzelfde geldt overigens ten aanzien van Buma’s koers voor Lubbers en Van Agt; de eerste schijnt zich binnenskamers fel tegen de automatische keuze voor de VVD te hebben gekeerd. De formatie is nog verre van rond, en kan zo nog altijd afspringen, omdat D66 zich in dit kabinet Rechts met den Bijbel weinig gelukkig zal voelen. Maar dat is dan haar probleem. Ook als deze formatie inderdaad op de ethische agenda mislukt, is dat geen reden voor de PvdA op haar afwijzende standpunt terug te komen: dan kiest men maar voor een rechts minderheidskabinet van VVD, CDA en D66 zónder de ChristenUnie.

Bij alle electorale ellende heeft de huidige Haagse constellatie met het oog op de toekomst toch één voordeel: politieke duidelijkheid. Nog nooit zijn PvdA, GroenLinks en SP tezamen in de Kamer zo klein geweest – 37 zetels, dat is nog minder dan na de dramatische verkiezingen van 2002, toen het er 42 waren – ofschoon links in totaal, de Partij voor de Dieren meegerekend, weer net als in 2002 op die 42 zetels belandt. Maar de verhoudingen zijn anders: ter linkerzijde domineert niet langer één partij. En behalve dat de PvdA miserabel heeft gescoord, heeft de SP een matige uitslag geboekt, en is – in het licht van wat in relatie tot de resultaten van die twee electorale concurrenten te verwachten viel – de winst van GroenLinks van 4 naar 14 zetels vrij bescheiden. Zeker: zoveel heeft die partij nog nooit gehaald – haar afzonderlijke bestanddelen CPN, PPR en PSP kwamen in 1972 overigens samen wel tot 16 – maar de door Klaver gewekte suggestie dat hij wel eens Rutte voorbij zou kunnen streven, is niet bewaarheid.

Die situatie heeft het voordeel dat alle drie partijen, ook in hun relatie tot elkaar, een zekere bescheidenheid past. Niemand is eigenlijk echt de grote winnaar – dat was in het verleden wel eens anders, waar de ene linkse partij ten koste van de andere won en daardoor overmoedig werd door te denken de andere niet meer nodig te hebben. De PvdA had daar regelmatig last van, en de SP in 2006, toen Marijnissen op 25 zetels kwam, en voor toetreding tot een coalitie met CDA en PvdA  niet al teveel concessies wilde doen, in de (bedrogen) verwachting de volgende keer het verschil van acht zetels met de PvdA te kunnen overbruggen. Nu heeft ook de grootste van de linker drie, GroenLinks, weinig reden voor overmoed.

Dat biedt kansen. En het betekent ook verplichtingen, in het aangezicht van wat op sociaal-economisch gebied vermoedelijk vrij hard rechts beleid wordt – D66 is in de praktijk niet minder onverbeterlijk eenzijdig-individualistisch neoliberaal dan de VVD, het gemeenschapsdenken van het CDA is met Buma gereduceerd tot het gemeenschappelijk zingen van het Wilhelmus, en alleen de Christen-Unie kan er van de vier op bogen over een sociaal gezicht te beschikken. Wat links nu daarom moet doen, is eindelijk de onderlinge tegenstellingen proberen te overwinnen, en meer gezamenlijk op te trekken. Ik bepleit hier niet meteen een fusie, ofschoon qua opvattingen PvdA en GroenLinks vaak zo dicht bij elkaar staan dat het dan op het bekende soort kinderzoekplaatje ‘Zoek de drie verschillen’ neerkomt – het belangrijkste verschil de afgelopen decennia is dat de PvdA om maar mee te regeren een stuk makkelijker haar programma op heeft gegeven dan GroenLinks.

Wat voor de volgende Kamerverkiezingen wél overwogen zou moeten worden is een soort van stembusaccoord, zodat de drie grootste linkse partijen in de volgende formatie gezamenlijk optrekken, zoals in 1971 en 1972. Voor de goede orde: aan de vooravond van de verkiezingen van 1971 hadden PvdA, D66 en PPR samen ook nog maar 47 zetels. Het duurde eventjes – tot de verkiezingen van 1972 – voor het roemruchte kabinet-Den Uyl kon worden geformeerd. Of geforceerd, zoals sommige CDA-ers vinden, die daar een levenslang trauma aan hebben overgehouden, omdat dat het enige moment tussen 1917 en 1994 was waarop zij niet meer de rest van Den Haag hun wil konden dicteren. Voor alle duidelijkheid: de Partij voor de Dieren wil ik zeker niet bij voorbaat van zo’n stembusaccoord uitsluiten, maar zij lijkt voorlopig vooral zélf voor een zekere principiële afzijdigheid te kiezen: zuiverheid van de eigen beginselen boven de realisering van een deel in de vorm van compromissen. De SP blijkt daarentegen in de praktijk – zie ook haar coalitiedeelnames op provinciaal en stedelijk niveau – best tot redelijk veel water in de wijn bereid.

Sowieso is de SP in de loop der jaren toch ook een fors stuk naar het midden opgeschoven, en als ik haar huidige standpunten met die van de PvdA uit de jaren van Den Uyl vergelijk – de partij waarvan ik in 1979 lid ben geworden – dan moet ik zelfs constateren dat de PvdA toen soms behoorlijk linkser durfde te zijn dan de SP nu. Ook was zij indertijd veel activistischer. Niet toevallig bevond ik mijzelf toen op de uiterste rechtervleugel – zozeer dat er zelfs partijgenoten waren die er bezwaar tegenmaakten dat ik tweede secretaris in één van de zestien Amsterdamse afdelingen zou worden, omdat ik niet meteen uit de NAVO wilde stappen – en inmiddels toch wel duidelijk aan de andere kant. Niet ík ben zozeer van uitgangspunten veranderd, maar de partij is in de loop van die vier decennia mét de hele samenleving ontstellend naar rechts opgeschoven.

Met die linkse samenwerking in de vorm van een stembusaccoord bedoel ik vooral dat de linkse partijen zich niet uit elkaar moeten laten spelen, zoals in het verleden vaak is gebeurd: toen zochten eerst de rechtse partijen elkaar op, en alleen als dat niet voldoende voor een meerderheid was, mocht een linkse aanschuiven – maar ook beslist niet méér dan één. Dat was dan electoraal goed voor de linkse partijen die in de oppositie bleven, want die sponnen daar garen bij, omdat de kiezers van de enige linkse meeregerende partij – in casu de PvdA – dan meestal over de resultaten teleurgesteld waren. Houd het even voor ogen: de PvdA heeft als juniorpartner in een coalitie met uitzondering van het speciale geval van 1948 nog nooit gewonnen, en altijd verloren, vaak zelfs fors: in 1967, in 1994, in 2010 en natuurlijk in 2017. Gewonnen werd er (meestal) in de oppositie, of als de PvdA de premier leverde, zoals in 1952, 1956, 1977 en 1998.

Wat zo’n linkse samenwerking centraal zou moeten stellen, is, wat ook de PvdA nu weer veel meer centraal zal moeten durven stellen: de groeiende sociaal-economische ongelijkheid en de afbraak van de overheid. Gewoon geen verdere privatiseringen – lees: verkwanseling van het collectief tafelzilver – meer. Geen verkleining van de rol van de staat, die ons aan de grillen van de markt heeft overgeleverd. Meer zekerheid: het is bestaansónzekerheid die nu veel mensen uit de traditionele achterban in de armen van rechtspopulisten drijft. Dat soort dingen staat vaak ook wel mooi in het verkiezingsprogram, maar wordt dan vervolgens omwille van de heilige regeerbaarheid weer meteen na de verkiezingen vergeten.

In een hele reeks van rapporten van de WBS vallen over sociaal-democratische waarden behartigenswaardige dingen te lezen, alleen wordt daar in de Haagse praktijk te weinig meegedaan: daar worden ze vooral als lastig gezien. Het is om die reden dat ik in maart heb gezegd: we hebben geen behoefte aan weer een partijcommissie die gaat onderzoeken waarom er weer een verkiezingsnederlaag is geleden, want zulke rapporten hebben we te over. Waar we hooguit behoefte aan hebben is aan een partijcommissie die onderzoekt waarom er met al die rapporten niets is gebeurd. Daar ligt ook een taak voor de komende voorzitter, om die lijn te bewaken – Spekman heeft dat de afgelopen kabinetsperiode teveel nagelaten, en zich net als Samsom teveel als buitenlid van het kabinet opgesteld.

Wat de PvdA moet doen, is weer duidelijk sociaal-democratisch durven zijn – tegen het in de beleidswereld nog altijd dominante neoliberale denkwijze in. En ja, dat zal vaak tot boze gezichten ter rechterzijde leiden – maar de PvdA moet haar angst voor Telegraafcommentaren, haar trauma’s over het tweede kabinet Den Uyl dat er nooit kwam, nu na veertig jaar eindelijk durven te overwinnen. Teveel is zij die veertig jaar meegegaan in het perverse BV-Nederland-denken, heeft zij het bedrijfsleven willen behagen en tot vriend willen zijn, een bedrijfsleven dat zichzelf als de nucleus van de natie beschouwt, en meent dat alles – van wetenschap en onderwijs tot belastingwetgeving en infrastructuur – uitsluitend aan haar particuliere belangen dienstbaar moet worden gemaakt.

Voor alle duidelijkheid: ik pleit zeker niet voor permanente vijandschap met de werkgevers, maar een zekere spanning met de wereld van het grote geld dient inherent aan de sociaal-democratie te zijn. Door de soms ziekelijke behoefte om maar door de tegenpartij geaccepteerd te worden, is de PvdA (maar dat geldt evenzeer voor haar zusterpartijen elders in Europa) de afgelopen decennia veel te ver in het neoliberale denken meegegaan, en heeft zij de sluipende ontmachting van de politiek als gevolg van privatisering en deregulering, waardoor de overheid (en daarmee de staatsburger) over steeds minder zaken echt iets te zeggen heeft, gelaten geaccepteerd. Veel verworvenheden van na de Oorlog, die burgers door maatregelen op het terrein van de sociale zekerheid een grotere grip op het eigen bestaan verschaften, zijn zo gaandeweg weer ontmanteld, wat de sociaal-economische kloof qua toekomstperspectieven tussen de maatschappelijk geslaagden en de minder bedeelden weer heeft vergroot.

De PvdA moet weer radicaal durven te zijn, de ongelijkheid en de onrechtvaardigheid daarvan helder durven benoemen. Dat dat loont, bewijst de winst van Labour vorig jaar en het enthousiasme dat Bernie Sanders met in feite een klassiek sociaal-democratisch programma in Amerika wist te wekken, waar Hillary Clinton steeds over haar schouders naar Wall Street keek. De voorspelbare boze reacties van de internationale haute-finance moeten ons koud laten. Want vergeet, tenslotte, niet één ding: ongeveer alles waarvoor links de afgelopen anderhalve eeuw gevochten heeft en dat het tot stand heeft gebracht, is tot het moment dat het er was door rechts als onbetaalbare luchtfietserij weggehoond.

Thomas von der Dunk, 8 september 2017

facebooktwittergoogle_plusredditlinkedin