Column Thomas von der Dunk

Thomas von der Dunk sprak maandag 16 januari 2017 zijn column uit op de Rode Werf, thema: Het lokaal bestuur in Amsterdam

Geachte aanwezigen,

    ik geloof dat er weinig politieke discussiethema’s bestaan die de gemiddelde burger zo weinig vreugde bereiden, als ‘bestuurlijke vernieuwing’. Dat is het grote misverstand van D66, dat lang zaken als districtenstelsel, gekozen burgemeester en referenda als haar kroonjuwelen in de etalage had gezet.

Afgezien daarvan dat ik persoonlijk als republikein niet zoveel opheb met iets als ‘kroonjuwelen’ – die horen m.i. niet in een politieke etalage, maar in een historisch museum thuis – is praten over bestuurlijke vernieuwing voor veel burgers toch iets als praten over de bedrijfsvoering van C&A voor haar klanten. Die zijn geïnteresseerd in wat er aan producten in de etalage – ja, daar is dat woord weer – staat, niet in hoe het daar precies terecht komt en wat er daartoe intern achter de schermen gebeuren moet.

   De meeste burgers willen helemaal niet voortdurend gedwongen worden om zelf over van alles mee te beslissen – daarvoor hebben ze gewoon niet de tijd, om zich in alle overheidsplannen te verdiepen. Dat blijkt ook wel uit de miserabele opkomst bij de jongste gemeentelijke referenda, in Rotterdam en Arnhem. Daarbij vergeleken doet, getuige het nog altijd aanzienlijk hogere opkomstpercentage, zelfs het Europese parlement de harten onnoemlijk veel sneller kloppen, ofschoon Brussel toch ook niet als een bijzonder bruisende aangelegenheid geldt.

   Nee: de meeste burgers willen vooral een beetje fatsoenlijk bestuurd worden, zonder particulier gegraai of publieke grootheidswaan, waarbij natuurlijk wel met hun belangen – die, o zeker!, ook wel eens in kleinzielig gezeur kunnen ontaarden – rekening gehouden moet worden. Dat is de zwijgende meerderheid die onze Grote Geblondeerde Geert nog niet als zijn kernelectoraat heeft ontdekt.

   Zeker: de meesten zullen het niet weten of, als ze het ooit tijdens de geschiedenisles op de lagere school vernomen hebben, weer zijn vergeten. Maar ook Nederland heeft een periode van permanente topinspraak voor iedereen gekend. Nee, ik doel niet op de tweede helft van de fameuze jaren zestig van de twintigste eeuw. Ik doel op de tweede helft van de niet minder fameuze jaren negentig van de achttiende eeuw.

   Tot de nieuwe democratische orde die toen, mede geïnspireerd door de Franse Revolutie, tot stand kwam en het oude regenteske stadhouderlijke stelsel met zijn semi-erfelijke bestuurstraditie moest vervangen, hoorden ook de zogeheten grondvergaderingen. Daarin werd toen dagenlang door alle verenigde burgers over van alles en nog wat vergaderd en beslist. U kunt dienaangaande heel amusante schilderingen over rokerige zaaltjes (ook toen al) aantreffen in de herinneringen van de indertijd nog jeugdige Anton Reinhard Falck – de Falckstraat in de Weteringbuurt bij het Frederiksplein is naar hem genoemd – die het later onder Willem I tot minister van onderwijs, nationale nijverheid en koloniën (dat ging toen allemaal moeiteloos samen, de VVD kan aan dit platte economische nutsdenken nog een puntje zuigen) zou brengen. Dat voortdurende vergaderen was bovenal reuze tijdrovend en vermoeiend, en omdat de bakker en de timmerman ook nog gewoon hun brood moesten verdienen, haakten die al spoedig af, zodat daarna slechts de beroepsinsprekers onder de vrijgestelden overbleven.

   Heel Nederland ging toen, na de Bataafse Omwenteling van 1795, bestuurlijk op de schop, zelfs – en dat mag gezien hun taaiheid uniek heten – de provincies moesten er met de eerste grondwet van 1798 tijdelijk aan geloven. Tijdelijk ja, want een staatsgreep later, in 1801, was het met de toen nieuw gecreëerde departementen weer gedaan en werd de herindeling van drie jaar eerder weer ijlings ongedaan gemaakt. Aan die departementen lagen precies hetzelfde soort abstracte rationeel-bestuurlijke argumenten ten grondslag die ook heden ten dage bij bestuurlijke herindelingen frequent worden gehanteerd.

   Tweehonderdduizend inwoners was toen de departementale norm, die aan de even onzinnige honderdduizend voor gemeentes uit het inmiddels weer vergeten plan-Plasterk van 2012 herinnert. Amsterdam vormde zodoende toen bijna in z’n eentje het departement van de Amstel – het telde immers zo’n tweehonderdduizend inwoners – dat verder nog Diemen, Duivendrecht en wat ander klein grut omvatte. De natte droom van de aparte stadsprovincie uit ‘onze’ jaren negentig twee eeuwen later is toen dus even realiteit geweest, als een soort stadsstaat à la Hamburg op dezelfde hoogte staande met alle andere departementen van de Bataafse Republiek.

   Maar voor de rest leverde dit criterium gedrochten op als de fusie van Zeeland en de westhelft van Noord-Brabant tot het departement van de Schelde en Maas, en die van Groningen met de noordhelft van Friesland tot het departement van de Eems. Daarbij werd dus duidelijk het Franse gebruik overgenomen om zulke nieuwe entiteiten historisch-neutraal naar rivieren te vernoemen en zo met een soort bestuurlijke Stunde Null – zoals die in Frankrijk zelf ook even in een nieuwe jaartelling en de vervanging van de week door ‘decades’ tot uiting kwam – de hele geschiedenis uit te wissen. En als U gedacht had, dat Friezen en Groningers op Haags bevel samen gelukkig kunnen worden, dan heeft U het mis. Het waren de voorlopers van de fusie van Noord-Holland, Flevoland en Utrecht tot Noord-Flutland dat het huidige kabinet ooit voor ons in petto had.

   Daarvan is het dus nooit gekomen, maar bestuurlijke herindelingen hebben ons wel gekunstelde creaties als Koggenland, Hollands Kroon en Gooise Meren (ik wist niet eens dat er ‘Gooise meren’ waren, im meervoud, maar dat zijn dus Bussum, Naarden en Muiden rond dat ene Naardermeer) opgeleverd die U vermoedelijk evenmin op de kaart weet – want niet in de Bosatlas kunt – vinden. En in Zuid-Holland de gemeente Zuidplas, waar Rita Verdonk ooit nog eens heel erg groot dreigde te worden. Dat zijn Moordrecht, Nieuwerkerk en Moerkapelle onder de rook van Rotterdam. Die plaatsen kent U misschien wel, al is het maar van files.

   Veelzeggend: vroeger droegen gemeenten meestal de naam van de grootste nederzetting, nu krijgen nieuwe eerder de (al dan niet verzonnen) naam van een streek, of van een deel van een nog groter geheel, zoals Zuidwest-Friesland, dat zo’n beetje alles tussen Sneek en Stavoren omvat. Niet te verwarren met het COROP-gebied – wist U wat dat is? Dat wordt volgens de Wikipedia gebruikt voor ‘analytische doeleinden’, wat dat ook wezen moge – Zuidwest-Friesland, en evenmin ‘te verwarren met de Zuidwesthoek, een grotere streekduiding die ook Zuidwest-Friesland omvat’, zoals diezelfde Wikipedia benadrukt. Dus reken maar dat de geografische verwarring ginds juist wèl compleet is.

   Wat heeft dat nu allemaal met de Amsterdamse deelraden en hun opvolgers – het thema van vanavond – te maken, zo zult U zich mogelijk afvragen. Wel: dit. Die fusies vloeien niet alleen voort uit een al wat oudere onbedaarlijke behoefte aan bestuurlijk geknutsel van politici die niets beters te doen hebben. Daarbij is recent ook nog het VVD-dogma van ‘minder overheid’ gekomen, dat als ‘minder overheden’ wordt vertaald: minder bestuurslagen.

   Laat ik in dat verband maar eens een boude stelling poneren: Nederland hééft helemaal niet zoveel bestuurslagen. Als we van Europa en de waterschappen afzien niet meer dan drie. Weet U hoeveel bestuurslagen Luxemburg – zelf met het formaat en inwonertal van Drenthe – er al heeft? Liefst vier. Luxemburg is het groothertogdom als geheel, en daarbinnen vervolgens een district, een kanton en een gemeente (de hoofdstad). Dat is misschien een beetje erg veel van het goede – maar om dan, zoals ook wel als suggestie heeft gecirculeerd, in de strijd tegen ‘bestuurlijke drukte’ gemeentes plus provincies op te heffen en door een soort tusseneenheid te vervangen, gaat wel wat ver. De bestuurlijke drukte waarover vooral drukke en drukdoenerige bestuurders klagen, wordt niet zozeer door een teveel aan bestuurslagen veroorzaakt, maar door de onduidelijke scheiding van bevoegdheden en verantwoordelijkheden: iedereen wil zich in onze permanente overlegcultuur altijd een beetje met alles kunnen bemoeien.

   De roep om ‘minder bestuurslagen’ heeft er onder druk van de VVD ook toe geleid dat de binnengemeentelijke decentralisatie steeds verder is uitgekleed. Nu dreigt het door het eerste (en hopelijk ook laatste) college waarin een partij die ooit Democraten’66 heette de grootste is, geheel om zeep wordt geholpen. Tot het argumentenarsenaal dat in Nederland door de tegenstanders wordt gehanteerd, behoort dat Amsterdam (en Rotterdam, dat een soortgelijk systeem kende) gewoon te klein is voor zulke binnengemeentelijke decentralisatie.

   Het is interessant om te zien van wie zulke kritiek komt. Vaak van mensen uit gemeentes die gezien hun inwonertal moeiteloos driemaal in onze Binnenstad passen, maar zich tegelijk met hand en tand tegen de opheffing van hun eigen zelfstandigheid verzetten. Als het de VVD echt te doen is om efficiëntie, laat zij dan eerst eens de VVD-villagemeente Rozendaal opheffen, in feite een buitenwijk van Arnhem met niet meer dan welgeteld 1504 inwoners. Dat was de stand per 1 april, dus ik wil niet uitsluiten dat het er inmiddels dankzij verwoede procreatieve activiteiten in onze jongste kille zomer 1505 zijn, maar ook dan passen die allemaal makkelijk in een kwart van de Weteringbuurt. Maar dat Rozendaal blijft bij elke gemeentelijke herindeling dus schaamteloos gespaard. 

   Als men iets wil afschaffen, is het altijd zinvol om te bedenken waarom het ooit is ingevoerd. Dat is meestal vanwege bepaalde geconstateerde kwalen, die met de verandering van indertijd verholpen zijn en mogelijk terugkeren als die verandering weer wordt teruggedraaid. Dat zien we ook bij de voortdurende switch van centralisatie naar decentralisatie en weer terug bij de zorg en de politie, waarbij de argumenten die vóór de centralisatie van de politie zijn gebruikt evengoed van toepassing zijn op de zorg, waar de beweging tezelfdertijd de andere kant uitgaat.

   Ik behoor, in alle onbescheidenheid, tot de weinigen die al een paar decennia in deze stad als permanent politiek toeschouwer meelopen en (dus) over een zeker geheugen beschikken – een toenemend gemis in de politiek zelf, dat een veel te groot verloop van raadsleden en wethouders kent. Ik weet dus nog – ja, stiefopa vertelt – waarom indertijd tot de invoering van de deelraden besloten is. Dat was, om de overheid juist dichter bij de burger te brengen (dat zou D66 toch moeten aanspreken), vanuit de verre Stoperakolos naar de wijk, om alle politieke beslissingen door gekozen politici te laten nemen.

   Want wat was de situatie voordien: oppermachtige diensten en dito ongekozen ambtenaren – de verantwoordelijke wethouder van heel-Amsterdam kon niet alles overzien – die veel meer op eigen houtje beslisten. En aan de zijde van de burgers de beroepsinsprekers, die pretendeerden een afspiegeling te vormen van de buurt, maar meestal toch een wat radicaler geluid lieten horen, steevast tegen het gekozen stadsbestuur in. Toen bestonden die vooral uit luidruchtige CPN-actievoerders, nu zou ‘namens het volk’ vast het PVV-geluid de toon zetten en de gematigde burger overstemmen. Willen we dat terug? Deelraadsverkiezingen leveren een uitkomst op die representatiever is. Of is Democraten ’66 bang dat ze, gezien haar buitenproportionele stembusresultaat van de laatste keer, niet over voldoende kandidaten beschikt om dan al die democratisch verworven zetels te vullen?

 Thomas von der Dunk,

Uitgesproken op politiek cafe de Rode Werf op 16 januari 2017

facebooktwittergoogle_plusredditlinkedin

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *