Column Thomas von der Dunk

Op maandag 3 oktober 2016, sprak Thomas von der Dunk zijn column uit op de Rode Werf, thema: Turkije!

 

Geachte aanwezigen,

 

   ik geloof niet dat er de laatste decennia ergens in de wereld een mislukte coup-poging heeft plaats gevonden, die ook zo’n grote impact heeft op de interne verhoudingen in Nederland, als die van juli in Turkije. Buitenlandse kwesties zijn meer dan ooit tegelijk binnenlandse geworden. De gemoederen zijn ditmaal veel meer verhit geraakt dan in het geval van de zoveelste bloedige uitbarsting in het voortslepende Israëlisch-Palestijnse conflict, of indertijd bij de militaire staatsgrepen in Zuid-Amerika, die met enige vertraging het wereldkampioenschap voetbal in Argentinië tot nationaal discussiethema maakten.

   Voor de bedreigingen en sfeer van intimidatie waarvan nu binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap op toch vrij grote schaal sprake is, moet men vermoedelijk teruggaan tot de Russische inval in Hongarije van 1956, die tot een bestorming van Felix Meritis leidde. Niet dat wij sindsdien gevrijwaard zijn geweest van politiek geweld – in dat opzicht heeft Nederland al vele malen eerder haar onschuld verloren – maar noch bij de Molukse treinkapingen, noch bij de moord op Fortuyn viel een relatie met dramatische gebeurtenissen in het buitenland te leggen.

   Nu zijn er in Nederland gelukkig nog geen doden gevallen, maar van serieuze doodsbedreigingen is wel sprake. En meer dan ooit tevoren hebben we ook te maken met bemoeienis van een buitenlandse regering met de gang van zaken binnen de diaspora in een ander land, waarbij bovendien van Erdogans lange arm zeker geen matigende invloed uitgaat, integendeel. De heksenjacht op andersdenkenden die Ankara na de juli-coup heeft verhevigd – Erdogan zelf sprak in dit verband zelfs van een Godsgeschenk dat hem de mogelijkheid verschafte de door hem al langer beoogde presidentiële autocratie à la Poetin verder door te voeren – is ook naar Europa overgebracht.

   Niet dat de gebeurtenissen in Turkije in die zin een uitzondering vormen dat voor het eerst een emigrantengemeenschap hevig verdeeld zou raken door de ontwikkelingen in het land van herkomst. De Turkse vormt ook geen uitzondering op de regel dat men politiek nog lang na vertrek op dat land van herkomst gefixeerd blijft. Hoe dacht U dat dat zat bij de Duitse emigré’s uit de jaren dertig in Nederland? Die volgden, zeker de joodse Duitsers onder hen (en ik spreek hier uit familie-ervaring), de ontwikkelingen in het Derde Rijk echt wel wat intensiever dan die in het braaf voortkabbelende Den Haag van Colijn.

   En onder een deel van de huidige joodse Nederlanders doet zich zelfs het merkwaardige verschijnsel voor dat zij, zonder dat zijzelf uit Israël afkomstig zijn, in een grotere staat van opwinding kunnen raken door Israëlische dan door Nederlandse verkiezingen. Het verschijnsel van een buitenlandse afdeling voor een partij, zoals bij de Turkse AKP voor Turkse migranten, vindt daar haar parallel in het bestaan van iets als Likoed-Nederland. Dat is, voor alle duidelijkheid, niet een club voor Israëlische staatsburgers die tijdelijk in Nederland wonen, zoals de PvdA voor expats ook een afdeling Brussel heeft, maar voor rechtse joodse Nederlanders die zich met Israël verbonden voelen, “het verwezenlijken van de doelstellingen van het zionisme” ten doel heeft en daarbij als spreekbuis van de Israëlische moederpartij van Netanyahu fungeert. Zo staat het doel letterlijk op haar eigen website geformuleerd. In dat opzicht is er dus niet zoveel verschil met de UETD, de Europese tak van Erdogans AKP die ook in Nederland actief is. Of dat allemaal gewenst is, is een tweede, maar helemaal uniek is dit dus niet. Wie de ene club ten principale veroordeelt, zal ook kritisch naar de ander moeten kijken.

   Niet dat beide helemaal aan elkaar gelijk te stellen zijn in die zin, dat de UETD – met Erdogan in een aanmerkelijk machtiger positie dan Netanyahu – veel meer het verlengstuk van de staat geworden is, en de Turkse staat ook veel meer ten dienste van het AKP-partijbelang wordt ingezet, dan Likoed met de Israëlische staat kan doen. Een belangrijke overeenkomst is wel de toenemende verkettering van tegenstanders; zowel linkse Turken als linkse Israëli’s, die niet voor nationale glorie maar voor vrede pleiten worden in eigen land steeds meer als landverraders gemarginaliseerd. Belangrijk verschil, en dat hangt natuurlijk met het toenemende autocratische karakter van Turkije samen, is dat Ankara inmiddels ook op grote schaal het justitiële staatsapparaat kan inzetten om politieke tegenstanders monddood te maken, van massa-ontslag tot gerechtelijke vervolging en kneveling van de pers.

   Wie dan naar de houding van de Nederlands-Turkse gemeenschap ten aanzien van de ontwikkelingen in Turkije kijkt, valt drie dingen op.

   Ten eerste de grote steun, waarop Erdogan kan bogen – al bij de Turkse verkiezingen scoorde zijn partij vrijwel nergens zo hoog als in Nederland, veel hoger ook dan in Turkije zelf: kwam hij daar nog niet eens aan de absolute meerderheid, onder Turkse Nederlanders reikte zijn stemmenpercentage tot ver boven de zestig procent.

   Ten tweede, in het verlengde hiervan, de vanzelfsprekendheid waarmee het gros hunner de officiële Turkse versie van de coup met het bijbehorende taalgebruik overneemt. Ofschoon nog geen enkel bewijs geleverd is, is die op het conto van een soort monsterverbond tussen gülenisten, kemalisten en Koerden geschoven – met de voor complottheorieën altijd onmisbare CIA en Mossad op de achtergrond – die dan in Pennsylvania ten huize van Fethulah Gülen als grote aanstichter hun snode plannen zouden hebben beraamd. Dat de bevolking dit in Turkije, met een allang gebreidelde pers, voor zoete koek slikt, is misschien nog enigszins te bevatten, maar voor de Turkse gemeenschap in Nederland, die wel toegang heeft tot een vrije pers, duidt dit toch wel op een verontrustend gebrek aan kritisch oordeelsvermogen. Waarbij overigens opgemerkt moet worden dat het gebruik van de sociale media, nu voor velen facebook de nieuwsvoorziening van de pers heeft overgenomen, ook onder bepaalde groepen autochtone Nederlanders het kritisch denkvermogen heeft verdoofd.

   Het derde wat opvalt, is dat een en ander ook echt tot een scheuring in de Turks-Nederlandse gemeenschap heeft geleid, tot boycotacties, tot kliklijnen, tot intimidatie en vandalisme, en tot toch vrij grootschalige overplaatsing van kinderen naar andere scholen. In nogal wat steden zijn de interne verhoudingen verzuurd en durven Turkse tegenstanders van Erdogan niet meer voor hun mening uit te komen. Het zijn zaken die menig burgemeester thans hoofdbrekens bezorgen – en ook menig locaal of nationaal politicus van Turkse huize, die nu gedwongen wordt stelling te nemen. Dat heeft al geleid tot enige uitglijders en in sommige gevallen heuse conflicten met hun eigen Nederlandse partij, waarvan zij hier als volksvertegenwoordiger fungeren.

   Daarover het volgende. De opvallend grote steun voor Erdogan in Turkije en daarbuiten, zich in een reeks van verkiezingsoverwinningen vertalend, valt niet los te zien van de emancipatie van een religieuze middenklasse, die de kemalisten – de grondvesters van de moderne Turkse staat – nooit hadden zien staan en lang als achterlijk hadden weggezet. Dat is de kern van de kwestie: de modernisering van Turkije na de implosie van het Ottomaanse Rijk was een gekunstelde revolutie van boven, met bloedige dwang doorgevoerd. Het leger, dat als een staat in de staat fungeerde, stond daarvoor vervolgens garant. Kemal Atatürk was geen constitutionele studeerkamergeleerde à la Thorbecke, maar eerder een kruising tussen Robespierre en Mussolini. Een blik op zijn monstrueuze mausoleum, waar het graf van Thorbecke op de Gemeentelijke Begraafplaats in Den Haag zeker honderdduizendmaal in past, en op de militaire parades die bij dat Mausoleum worden gehouden, en die óók nooit op dat Haagse kerkhof zijn overgedaan, zegt in dat verband genoeg.

   Of, om het anders te formuleren: het kemalistische Turkije was gebaseerd op twee levensleugens die alleen als ‘waarheid’ stand konden houden, zolang het land semidictatoriaal werd geregeerd. Namelijk dat in Turkije alleen maar Turken wonen, en dat de Turken, anders dan de Arabieren, seculier zijn, m.a.w. dat de islam er geen politieke rol speelt. Zodra Turkije democratischer wordt, worden echter de interne breuklijnen zichtbaar. Dan wordt duidelijk dat het een islamitisch land is, waarbij voor de helft van de Turken (voor de andere helft niet) vanzelfsprekend ook een politiek-maatschappelijke rol voor de islam is weggelegd, en dan wordt duidelijk dat er binnen de Turkse staatsgrenzen ook andere etniciteiten wonen, miljoenen Koerden op de eerste plaats.

   De belangen van zowel die Koerden (voor een deel seculier, voor een deel religieus) als die meer conservatief-orthodoxe moslims werden door de kemalistische elite en haar politieke partij, de CHP – thans officieel een zusterpartij van de PvdA – op basis van haar geforceerde nationalistisch-seculiere eenheidsideaal lange tijd verwaarloosd. De seculiere regeringen die in de jaren negentig aan Erdogan voorafgingen deden weinig voor de gewone bevolking en waren niet minder corrupt dan Erdogan nu; zo was het belangrijkste beleidsdoel van premier Tansu Çiller derhalve om te pogen uit de gevangenis te blijven, en gezien de toestanden in Turkse gevangenissen was dat ook best begrijpelijk.

   Erdogan heeft er daarentegen als burgemeester van Istanbul ervoor gezorgd dat in de hele stad – en niet alleen in de rijke wijken – zoiets als de vuilnisophaaldienst een beetje behoorlijk ging functioneren, en er overal moderne ziekenhuizen kwamen. Daarvoor zijn veel Turken hem nog steeds dankbaar. Zij wantrouwen de kemalisten en vrezen al dit soort verworvenheden bij een val van Erdogan weer te verliezen. Over het feit dat de Erdogan-clan ook zichzelf grootschalig verrijkt, halen de meesten hun schouders op – dat doen politici nu eenmaal allemaal.

   Dat brengt mij tot mijn laatste punt: de stellingname van Turks-Nederlandse politici bij de Turkse polarisatie, die al tot enkele breuken – in het Zeeuwse Kapelle bij de PvdA – en royementen – in Gorinchem bij GroenLinks – hebben geleid. Zij hebben, indien zij nog over een Turks paspoort beschikken, ook stemrecht bij de Turkse verkiezingen, en zullen daarvan dan ook vast voor een groot deel gebruik hebben gemaakt. Het partijpolitieke landschap in Turkije is, ook in ethische en ideologische zin, niet met het Nederlandse vergelijkbaar, zodat er voor een Turks-Nederlandse PvdA-er, VVD-er of CDA-er geen echt vanzelfsprekende zusterpartij bestaat.

   Dat maakt in feite elke stem vanuit Nederlands perspectief vreemd. Dat de extreem-nationalistische MHP niet in aanmerking komt, spreekt vanzelf. Steun voor de sterk Koerdische HDP zal voor veel niet-Koerden tot gefronste wenkbrauwen in eigen kring leiden. En zowel de AKP als de CHP liggen, vanwege bestaande of oudere smetten die daaraan kleven, evenmin automatisch voor de hand. Dat moet iedereen óók bedenken, die nu een Nederlands-Turks politicus vanwege zijn Turkse partijkeuze bekritiseert. Het kernprobleem zit niet in die keuze als zodanig, maar in de onmogelijkheid het in dat opzicht goed te doen, wat dan als enig alternatief stemonthouding zou laten overblijven. Alleen is stemonthouding in strijd met het meest basale instinct van een politicus.

 

Thomas von der Dunk, 3 oktober 2016

facebooktwittergoogle_plusredditlinkedin

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *