Column Thomas von der Dunk

Thomas von der Dunk sprak maandag 14 november zijn column uit op De Rode Werf, thema: Belastingontwijking

 

Beste aanwezigen,

    eigenlijk zou het helemaal geen politiek thema mogen zijn. Dat het dat wel is, is symptomatisch voor de financiële, en dus morele verloedering van de westerse samenleving: het als iets vanzelfsprekends faciliteren van belastingontduiking. Nee, nee: belastingontwijking, zou roepen dan sommigen meteen sussend, waarbij men probeert een fijngevoelig onderscheid tussen beide te maken: het eerste is illegaal, omdat daarmee de wet geschonden wordt, het tweede legaal, omdat daarbij slechts de mazen van de wet worden opgezocht, en de gaten erin uitgebuit.

   Een hele financiële branche, in Nederland geconcentreerd op de Zuidas, verdient met dat onderscheid op zeer dubieuze wijze haar brood. Op dubieuze wijze – want wat in juridische zin misschien niet illegaal is, is daarmee nog niet in moreel opzicht ook legitiem. Degenen, die zo op dat verschil tussen belastingontduiking en belastingontwijking de nadruk leggen, laten daarmee zorgvuldig de morele vraag buiten beschouwing – vermoedelijk, omdat zij ook zelf geen moreel besef hebben.

   De vraag is daarom tevens, of de Nederlandse politiek dat nog voldoende heeft. Jarenlang heeft zij daar in elk geval op dit punt te weinig blijk van gegeven. Want het mocht wel niet gezegd worden, en de Tweede Kamer heeft zich onsterfelijk belachelijk gemaakt door over die karakterisering haar veto uit te spreken nadat Obama er enige tijd terug wèl mee kwam, maar Nederland is met al z’n rulings voor multinationale brievenbusfirmanten natuurlijk ook zo’n belastingontduikersparadijs, en geen haar beter dan Jersey. 

   Zondag een week geleden zag ik hier in Cinecenter de Italiaanse film Il Confessioni, waarin een Kartuizermonnik op een G8-top de directeur van het IMF de biecht afneemt. De onverstoorbare monnik, die qua persoonlijkheid alle ministers moeiteloos in zijn zak stak, deed mij denken aan de even superieure hoofdfiguur in de verfilming van Umberto Eco’s Il nome della rosa uit 1986 – ook een monnik, in dat geval een Franciscaan. Wie een beetje thuis is in de westerse cultuurgeschiedenis (en dat zijn sociaal-democraten misschien toch iets te weinig), weet dat zowel de Kartuizers als de Franciscanen vanouds nog meer dan andere kloosterordes de nadruk op soberheid en ingetogenheid leggen, en zo het absolute tegendeel vormen van de Dikke Ikken uit de financiële sector die op de Zuidas worden gefêteerd.

   Symbolisch voor die eenvoud in de film is dat – anders dan de wantrouwende ministers van economische zaken denken – de monnik zijn dictafoon niet gebruikt om hun geheime beraadslagingen af te luisteren, maar om in de stilte van het aan de Duitse Oostzee gelegen badhotel vogelgeluiden op te nemen. Stilte is onbetaalbaar en onkoopbaar – vraag dat ook maar eens aan de slachtoffers van onze dit jaar haar eeuwfeest vierende nationale geluidsterreurorganisatie Schiphol.

   De film ging de laatste week in, dus U kunt hem helaas niet meer gaan zien. Dat is eenstemeer jammer, omdat het, waar het de confrontatie tussen twee wereldbeelden en waardenpatronen betreft, een van de krachtigste en indringendste films is die ik ken – zonder in cliché’s te vervallen, ook omdat het niet slechts om persoonlijke verantwoordelijkheid, maar tevens over structurele oorzaken en dus persoonlijke onmacht gaat. Zij houdt ons, en zeker de gedachteloze adepten van de huidige neoliberale dogma’s een welkome spiegel voor.

   De bewuste IMF-directeur, inmiddels terminaal kankerpatiënt, worstelt met de maatschappelijke schade die hij in het verleden heeft aangericht door bij beslissingen steeds abstract-financiële criteria de doorslag te laten geven, met het ruïneren van hele landen en samenlevingen als gevolg. Met de dood voor ogen vertelt hij een mop, die bij de nog zeer vitale andere conferentie-deelnemers, die op deze top juist zo’n maatschappelijk rampzalig plan proberen door te drukken, niet erg in de smaak blijkt te vallen. De mop is deze:

   “Een oude man moet een harttransplantatie ondergaan. De chirurg heeft voor hem als beste mogelijkheid het hart van een vijfjarig meisje ter beschikking, maar dat weigert de patiënt: nog veel te jong. De tweede orgaandonor is een hedgefondsmanager, die op veertigjarige leeftijd is verongelukt. Ook die optie wimpelt de patiënt af: een hedgefondsmanager hééft geen hart. Dan blijft nog maar één optie over: gebruik maken van dat van een zeventigjarige bankier. De patiënt reageert meteen enthousiast: die heeft zijn hart immers nooit gebruikt.”

   Daar mag U eens even over nadenken. Maar nu graag niet te lang, want ik heb maar een beperkt aantal minuten voor deze column, en dat zou van de tijd af gaan, als ik daar op zou moeten wachten. Dus met Uw welnemen zet ik mijn betoog nu voort. Ook zonder Uw welnemen trouwens, want ik moet nu eenmaal met de strakke tijdschema’s van de organisatie van deze avond rekening houden.

   Waar het met het thema van vanavond ten fundamenteelste om gaat, is de vraag, wat voor samenleving wij willen: één waar het geld, en de zucht naar geld, alles dicteert, of één waar dat niet zo eenzijdig domineert. Want dat – en dat zal, als één van de aanwezige forumleden het straks onverhoopt nog mocht wagen het vóór de belastingontduikers op te nemen, dan ook hier blijken – is altijd het ultieme argument, om zulks toe te staan: het levert werkgelegenheid op en is goed voor de economie – lees: het sacrosancte BNP – als geheel.

   En, zo excuus nummer twee, als wij het niet doen, doen anderen het wel in onze plaats – het tweede vaste argument dat naast helers ook politici gebruiken, zodra ze platte handel met staatsmankunst gaan verwarren. Juist Den Haag laboreert aan dat euvel misschien meer dan welk ander Europees regeringscentrum ook. Ik denk slechts aan voormalig minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal, voor wie wij voornamelijk lid van de Europese Unie waren om zo wat makkelijker onze smakeloze tomaten en aardappelen te kunnen verkopen.

   Of neem de huidige premier, die recent een VN-speech in een promotiepraatje voor Heineken omtoverde. Niet toevallig is onze nationale biermagnaat tevens naam- en drankleverancier van Nederlandse stulpjes in Olympische dorpen, waar dan door onze koopman-koning met Poetin op lucratieve zaken kan worden getoast, met de zegen van Trump, Thierry en andere minimacho’s die om het lot van Oekraïne weinig geven. Dat was nog vóór de MH-17, zeker, maar als het aan werkgeversvoorzitter Hans de Boer ligt, gaan we daar ook ná de MH-17 gewoon weer snel mee door. “Holland”, zo wist al de Amerikaanse staatsman Benjamin Franklin ruim twee eeuwen geleden, “Is not a nation, but a shop”.

   Maar die dominante Nederlandse winkeliersmentaliteit heeft zijn keerzijden, en die worden steeds sterker zichtbaar. De populistische electorale storm die nu door het Westen raast, wordt mede gevoed door de groeiende ongelijkheid tussen de sociaal-economische elite en de rest. Een cruciaal aspect daarvan is dat gewone burgers een substantieel deel van hun inkomen aan de staat afdragen, en multinationals er, door staten met de dreiging van vertrek tegen elkaar uit te spelen, in slagen vrijwel vrijuit te gaan. Het is dit parasitaire gedrag dat op de Zuidas als geniaal financieel en fiscaal gedrag wordt gevierd.

   Hetzelfde geldt voor zeer vermogende particulieren, die door allerlei schimmige constructies eveneens hun miljarden buiten bereik van de fiscus weten te houden. Zij hebben geen enkele boodschap meer aan het land, waarin zij hun fortuin hebben verdiend; dat is voor hen, van belastingparadijs naar belastingparadijs hoppend, uitwisselbaar geworden. Wat dat betreft, bestaat er een duidelijke parallel met de internationale adel in de achttiende eeuw: ook die was losgezongen van de maatschappij, en niet meer bij machte de verontwaardiging daarover te bevatten. Opgesloten in haar gated communities, heeft ook onze financiële elite zich van de gewone burgers vervreemd.

   Denk aan de boze vertwijfeling van City-bankiers die na de Brexit-uitslag hun baan in gevaar zagen: wij hebben een gezin te onderhouden! Dat dat ook gold voor de deels door hun financiële machinaties als ‘onrendabel’ werkloos geworden arbeiders in de Midlands, had hen tot dusverre geen barst geïnteresseerd, evenmin als de armoede waarin de door hen toegejuichte flexibilisering velen sinds Thatcher had gestort. “Maar dan eten ze toch gewoon gebakjes?”, zo zou Marie Antoinette verbaasd gevraagd hebben, nadat de vrouwen van Parijs in oktober 1789 wegens de uit de pan gerezen broodprijzen de straat waren opgegaan. Hun antwoord was de Franse Revolutie.

   Het zou een illusie zijn om te menen, dat Europa of Amerika voor een herhaling daarvan volledig immuun geworden zou zijn, ook al heeft de opbouw van de welvaartsstaat velen – burgers én politici – in dit opzicht lang in slaap gesust. Zie de Verenigde Staten afgelopen dinsdag, waar Hillary veel te nauw met Wall Street verweven was om de massale onvrede over de groeiende ongelijkheid, zoals die ook in de belastingontduikingsprivileges van de happy few tot uitdrukking komt, overtuigend te lijf te kunnen gaan.

   In dat opzicht moet de winst van Trump als protestkandidaat een waarschuwing zijn. Het gaat misschien nu nog materieel net te goed, om politiek echt slecht te gaan, maar dat kan ook hier zomaar ten kwade veranderen. Politieke stabiliteit gaat niet zonder sociale stabiliteit. Het sociale is, anders dan IMF-directeuren menen, politiek nu eenmaal veel belangrijker dan het economische. En wel, omdat financieringstekort en betalingsbalans uiteindelijk financiële abstracties zijn, en honger, kou en dakloosheid niet. De negentiende eeuw vertelt ons daarover genoeg. Volgend jaar is de Russische Revolutie een eeuw oud. Laat er geen twijfel over bestaan: als die Zuidas-bankiers toen hadden gedaan, wat ze de afgelopen jaren hebben gepresteerd, dan bungelden ze nu aan de hoogste lantaarnpaal – al was het maar een Griekse.

   Want dat is natuurlijk het tweede aspect, dat het noodzakelijk maakt om aan het faciliteren van die belastingontduiking een einde te maken: hiermee worden andere landen – al dan niet eveneens lidstaten van de Europese Unie – van hun legitieme belastinginkomsten beroofd. De massale belastingontduiking via brievenbusfirma’s – bijvoorbeeld van Griekse reders – vormt één van de oorzaken (weliswaar niet de enige) waardoor Athene alsmaar niet de begroting op orde weet te krijgen, zelfs niet nadat een substantieel deel van de bevolking als gevolg van door Brussel afgedwongen beleid onder de armoedegrens is geduwd.

   Het is die wankele situatie, waaraan dus Nederland zelf medeplichtig is, die de Euro voortdurend onder druk zet, en de crisis bestendigt. Wat dat betreft is ‘ons’ geld dat ondanks Ruttes holle belofte toch gewoon naar de Grieken gaat, in feite eerder ontvreemd Grieks geld, en zo een vorm van Wiedergutmachung voor het massale helersbedrijf van fiscale zwendelaars dat Nederland al jarenlang op de Zuidas tolereert. Daaraan een einde maken is gewoon een vorm van politieke hygiëne.

 Thomas von der Dunk, 7 november 2016

 

 

 

 

facebooktwittergoogle_plusredditlinkedin

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *